Gebiedscollectief Noordoost-Twente

Doelsoort uitgelicht

Vliegend hert

Het vliegend hert is de grootste kever soort die in Nederland voorkomt. In ons land komt deze keversoort nog op enkele plekken voor, zoals in Zuid- en Noord Limburg, de Veluwe, een plek in Drenthe en in Noordoost Twente. Verder komt de kever voor in oude eikenbossen in heel Europa. De volwassen kevers kun je waarnemen in juni en juli.  De plek in Noordoost-Twente ligt in twee werkgebieden van het gebiedscollectief.

Met name in de gebieden Mander en Dal van de Mosbeek en is hier een primaire doelsoort voor het agrarische natuurbeheer. Bij het mannetje, dat wel een lengte van 8 cm kan bereiken, is de kop sterk verbreed en zijn de boven kaken uit gegroeid tot een orgaan met een geweiachtige vorm. Het vrouwtje heeft een normale kop en ziet eruit als een grote tor. De grote geweikaken bij het mannetje zijn er niet voor om voedsel te verzamelen, alleen om vrouwtjes te imponeren en om mee te vechten met de mede mannetjes. De kever leeft van suikerhoudende sappen, die plaatselijk uit de bast van zieke of beschadigde bomen kan treden, en met de korte tong wordt opgelikt.

Het leefgebied van het vliegend hert is in oude loofbossen of houtwallen met oude bomen, met voorkeur voor eiken. De larven van de kever ontwikkelen zich in vermolmde zomer- en wintereiken, ook weleens in beuken.  Ze worden zeer groot, tot ongeveer 10 cm en blijven vijf jaar onder de grond. Deze eigenschappen maken dat niet de eerste beste half vermolmde eik een geschikt milieu vormt. De boomstam of stronk moet van flinke omvang zijn, het vermolmde deel moet een groot volume hebben en de boom moet ondanks zijn aftakeling nog lang mee gaan wil het vliegend hert zich ontwikkelen tot het volwassen stadium. De verpopping vindt plaats onder de grond onder het rottend hout. Oude eiken die door ouderdom of ziekte aftakelen, moeten we laten staan als overlevingsmogelijkheid voor de kever. Terwijl de mens zo’n aftakelende boom snel wil gaan kappen, maar dat is dan wel een bedreiging voor het milieu van het vliegend hert en het voort bestaan van deze soort. 

Om de leefomgeving voor de kever te versterken worden er broedstoven gemaakt. Een aantal eikenstammen worden bij elkaar in de grond gestopt, waarin de larve van het vliegend hert zich dan kan ontwikkelen en het soort zo meer kansen heeft om voort te bestaan. Het beste is om zuinig te zijn op houtwallen met oude dikke eiken en die op een natuurlijke manier te laten aftakelen. Dan kunnen we blijven genieten van deze mooie kever soort

 

Spotvogel

De Spotvogel is een soort die maar kort, ongeveer drie maanden, in zijn broedgebied verblijft. De rest van het jaar verblijft de vogel in het zuiden van Afrika, onder de evenaar. Het is een lange afstandstrekker. Eind februari vertrekt de spotvogel uit Afrika richting zijn broedgebied en arriveert hier in de eerst week van mei en vertrekt begin augustus alweer naar het overwinteringsgebied. Voor ons een echte zomervogel. Bij aankomst begint de spotvogel uitbundig te zingen, een zang met veel imitatie. Wanneer het broeden begint wordt de zang snel minder en leidt dan een onopvallend bestaan. Het is voor zijn soort een forse parmantige groen en gele zanger (13,5 cm). Heeft een wat platte kop met een piekvormige kruin, lange vleugel punten, een olijfgroen achtig boven deel en een gelige borst. Het is een echte vogel van het agrarische gebied, van boerenerven tot houtwallen, bosjes en windsingels. Het liefst vertoeft de vogel in de inheemse dichte half opgaande bomen en struiken zoals vlier, lijsterbes vuilboom, zoete kers en inlandse prunus en ook nog staande op vochtige plaatsen. Ook heeft de vogel voorkeur voor jonge aanplant van loofbomen, dit was dit jaar goed waar te nemen in de jonge aanplant langs de heringerichte Lemselo’s- en Deurningerbeek, waar verschillende broed-gevallen waren. Vroeger broedde op ieder boerenerf wel een spotvogel. Maar dit is helaas niet meer zo, de laatste 10 tot 15 jaar is het aantal broedparen met 80% afgenomen.

Wat de oorzaak is van de sterke achteruitgang is nog niet helemaal duidelijk. De boerenerven hebben nu een andere beplanting, zoals heesters en coniferen, of de voedselpiek is vervroegd door de klimaatverandering. In Noord Europa als Zweden en Finland neemt de spotvogel sterk toe, de broedgrens schuift op naar het noorden. Wel wordt de plek in het zuiden van ons land, waar de spotvogel bijna is verdwenen, ingenomen door een andere soort, de Orpheusspotvogel. Door een goed broedbiotoop te creëren kunnen we de spotvogel in Twente behouden. Dit kan door agrarisch natuurbeheer, door goed beheer van de houtwallen, houtsingels en kleine hakbosjes. Door ze periodiek af te zetten treedt er verjonging van de houtopstand op, waar de spotvogel voorkeur voor heeft. 

 

De Grutto

Nu ik dit zit te schrijven, eind februari, zijn de eerste grutto’s alweer in Nederland aangekomen. De meesten komen vanuit hun overwinteringsgebied in West-Afrika en een kleiner deel overwintert de laatste jaren ook in de Coto-Doñana in Zuid Spanje. Om in Nederland te broeden hebben de vogels er al een reis van 2.000-3.000 kilometer opzitten. De grutto wordt ook wel de oer-Hollandse weidevogel genoemd.  Van de west Europese grutto’s broedt 90% in Nederland. Daarom is in het jaar 2015 de grutto uitgekozen door het Nederlands publiek tot nationale vogel. De meesten onder ons zullen de grutto wel kennen. Het is een opvallende slanke, prachtige, grote steltloper met lange poten, rechte snavel, bruine hals en borst en in de vlucht steken de poten achteruit. Het meest herkenbare is dat de vogel zijn eigen naam roept “gruttooo- gruttooo”, en laat zich in zijn broedgebied ook goed horen. Bij aankomst in Nederland uit het winterverblijf, vertoeven de vogels een aantal weken langs de kust. In ondiep water van de kwelders, slenken en ondiepe plassen zoeken ze naar wormen, kevers, en kreeftjes, die daar in overvloed aanwezig zijn. De grutto’s vetten zich dan op om sterk aan het broedseizoen te kunnen beginnen. Begin maart worden de broedgebieden opgezocht.

Dit zijn hoofdzakelijk de veenweidegebieden in Zuid- en Noord-Holland en Friesland, waar de grootste dichtheden voorkomen. In de drassige- en venige bodem, waar veel bodemleven is, prikken ze met hun lange snavel in de zachte bodem naar voedsel. Eenmaal in hun broedgebied beginnen de spectaculaire baltsvluchten en het gevecht om de mooiste broedplek. Wel gaan de paartjes grutto bij elkaar in de buurt zitten met hun nest, om zo gezamenlijk de vijand te kunnen verjagen. Het nest wordt onzichtbaar gemaakt in een graspolletje, waar de lange grassprieten over het nest worden getrokken. Er worden 3 á 4 eieren gelegd en in 22-24 dagen uitgebroed. De kuikens doen er 24-27 dagen om vlieg vlug te worden. Ze leven hoofdzakelijk van insecten en langpootmuggen. De families blijven nog 14 dagen bij elkaar en gaan zich dan verzamelen op verzamelplekken. Op deze laag water plekken worden door vogelaars vaak de jonge vogels geteld om een indicatie te krijgen hoeveel jonge vogels in dat jaar zijn groot geworden. Na enkele weken op de verzamelplekken te hebben vertoefd, gaat het richting overwinteringsgebied in West-Afrika. Sommige vogels, vliegend op grote hoogte, doen dat in één ruk. De rest maakt een tussen landing in Zuid Spanje. De vogels schakelen dan met hun voedsel over van insecten naar rijstkorrels. In de bovengenoemde veenweidegebieden wordt door boeren veel aan weidevogelbeheer gedaan. Zowel binnen agrarisch natuurbeheer als andere projecten bijvoorbeeld Red de Rijke Weide. En met goed succes. Maar toch worden daar niet voldoende grutto jongen groot om de populatie in Nederland in stand te houden. Het nieuwe stelsel agrarisch natuurbeheer heeft de grutto ook als prioritaire soort om agrarisch natuurbeheer voor af te sluiten. In de rest van het land, waar nog weidevogelgebieden met voldoende grutto’s zijn, kunnen of zijn al beheerpakketten agrarisch natuurbeheer afgesloten.  Noordoost-Twente heeft voorlopig één weidegebied waar weidevogelbeheer is afgesloten. Op zaterdag 25 maart wordt het weidevogelgebied geopend. Iedereen is vanaf 12.00 uur van harte welkom.

 

Kievit

De kievit is wel de bekendste weide- en akkervogel, bijna iedereen herkent de vogel wel. Het jaar 2016 is uitgeroepen tot het jaar van de kievit. Dit uitroepen van ‘de vogel van het jaar’ gebeurt om de kievit extra onder de aandacht te brengen. Met de kievit gaat het niet goed, het aantal broedparen in Nederland is sinds 1980 met de helft gedaald van 320.000 paren naar 150.000 paren. Ieder jaar neemt het aantal broedparen met 5% af. De kievit is in Noordoost-Twente in het agrarisch natuurbeheer geen prioritaire soort maar wel een aandachtssoort.  Noordoost-Twente heeft helaas nog maar één gesubsidieerd weidevogelgebied, waar de grutto en de tureluur de prioritaire soorten zijn, en daar lift de kievit mee. Als de grutto in een gebied het naar zijn zin heeft dan heeft de kievit het ook. De kievit stelt iets minder hoge eisen aan zijn leefgebied dan de grutto. Wel kan er buiten de weidevogelgebieden, op akkers waar meer dan vijf paren kieviten zitten, last minute beheer worden afgesloten en kan de boer een vergoeding krijgen voor het slagen van het legsel. De kievit is een vogel van natte weilanden zoals de veenweide gebieden van Noord- en Zuid-Holland, Friesland en de kop van Overijsel, waar grootste dichtheden voorkomen. Lees meer over de kievit op de website. 

Ook Noordoost-Twente had tot voor een aantal jaren terug natte weilanden waar veel kieviten broeden. Deze weilanden zijn nu goed ontwatert en het gras begint dan in het voorjaar vroeg en snel te groeien en de kievit voelt zich daar niet meer thuis. Deze vogel heeft zich aan de omstandigheden aangepast en is dan ook op de meeste plekken uitgeweken naar de maisakkers waar het wat langer open blijft en waar ze makkelijker voedsel kunnen vinden en kunnen broeden. Maar dan doet zich het volgende dilemma voor: de kievit zit op het land te broeden en de boer wil dat land bewerken. Voor een gedeelte gaat het wel goed met het legsel. De boer heeft er oog voor, maar ook het al jaren lang markeren van de legsels door de vrijwilligers N.V.W.G. De Grutto, heeft eraan bijgedragen dat de boer er omheen kan werken en de legsels gespaard blijven. Maar het blijkt dat dit niet voldoende is. De meeste nesten komen wel uit, maar dan gaat het mis. De kuikens komen op het mooie vlakke ingezaaide maisland te staan en vragen zich af, waar moet ik mij verstoppen en waar zijn de insecten. Randenbeheer rond een maisakker zou al een aanzienlijke verbetering voor de overlevingskans voor het kievit kuiken betekenen. Bij de Coöperatie Gebiedscollectief Noordoost-Twente U.A. kan gesubsidieerd akkerrandenbeheer worden afgesloten.

Een andere mogelijkheid om de leefomgeving van het kievit kuiken te verbeteren is om stroken van het vanggewas te laten staan. De stroken normaal bemesten en goed opentrekken, maar niet ploegen of spitten en dan gewoon de mais erin zaaien. Een klein gedeelte van het vanggewas zal doorgroeien en geeft dan dekking voor de kuikens. Bij de chemische onkruid bestrijding kan alles gewoon meegenomen worden, maar er was wel vier weken dekking voor de kuikens. Willen we kievit behouden in Twente dan zal deze door de boer omarmd moeten worden.    

 

Steenuil

De steenuil is ook een van de doelsoorten voor het agrarisch natuurbeheer (zie foto steenuil hiernaast, gemaakt door Johan Drop van NVWG De Grutto). In Twente treft je deze vogel meestal aan op de boerenerven. Het is een kleine vogel van kop tot staart 21 tot 23 centimeter, nauwelijks groter als een merel, maar dan wat plomper. De vrouwen zijn wat groter, hebben een bredere kop en langere vleugels, in het veld niet goed waar te nemen. Steenuilen vliegen meestal kortere stukken, kenmerkend is de lage golvende vlucht. In de schemering en nacht zijn ze actief. De steenuilen kunnen zeer luidruchtig zijn, zeker in de bals tijd van februari tot april. Dan laten zowel het mannetje als het vrouwtje opwindings- en alarmgeluiden horen. Steenuilen zijn honkvast, hebben ze eenmaal een geschikt territorium gevonden en de omstandigheden blijven goed dan verblijven ze daar hun hele leven. Man en vrouw hebben meestal een band voor het hele leven. Overdag laat de vogel zich ook graag zien, lekker in de zon op een verdekt plekje. In Nederland komen naar schatting tussen 7.000 en 9.000 broedparen voor, in de jaren 50 waren dat nog 25.000 broedparen. Deze sterke achteruitgang is de reden dat de steenuil op de rode lijst van kwetsbare en bedreigde vogelsoorten staat. Het meest komt de steenuil voor op de zandgronden in het oosten en zuiden van het land. Twente heeft een redelijke populatie. Al een groot aantal jaren worden de aantallen paren door de vogelwerkgroepen geteld. In het gebied waar N.V.W. De Grutto actief is, 144 km2, komen ongeveer 100 tot 110 broedparen voor. Het is een holenbroeder en nestelt graag in holten van oude hoogstam,  fruitbomen, knotwilgen en knoteiken. Ook zit de vogel graag in oude schuurtjes waar een pan af is of een ander gat in zit. Omdat deze broedmogelijkheden minder zijn geworden, hebben vogelwerkgroepen overal nestkasten opgehangen, die dan ook goed bezet zijn. De steenuil staat bekend dat ze niet kieskeurig is als het om voedsel gaat, als het maar dierlijk is. De muis staat wel op nummer één op het menu, muizen bevatten belangrijke voedingsstoffen en de vogel heeft er per dag twee van nodig om te leven. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende muizen zijn. Dit kun je bevorderen door ruige hoekjes te creëren, en bloemenrijke akkerranden, voedselakkers enz. aan te leggen. Ook grote insecten, die ook bij de steenuil op het menu staan, komen hierop af. Agrarisch natuurbeheer kan hier een grote bijdrage leveren om de leefomgeving van de steenuil te verbeteren en te behouden. Ga voor meer informatie over de steenuil naar www.steenuil.nl.

  

Patrijs

De patrijs is ook een doelsoort voor agrarisch natuurbeheer in Noordoost-Twente. De patrijs behoort tot de familie van de fazant. Het is een soort die vrij goed door de mensen herkend wordt dus een hoge beleving waarde. Daarentegen wordt de vogel vaak over het hoofd gezien door zijn goede schutkleuren. De patrijs is ongeveer 30 centimeter groot, heeft een oranje kop en de borst is grijs. Oudere vogels hebben op hun borst een donkergekleurde vlek in de vorm van een hoefijzer. De vleugels zijn overwegend bruin en grijs dus moeilijk te zien op een akker, ook doordat ze zich dicht tegen de grond drukken bij onraad. Het voedsel van de patrijs is gevarieerd, zowel plantaardig [zaden en knopjes] als dierlijk [insecten en andere kleine dieren]. Het leefgebied van de patrijs bestaat uit kleinschalige open terreinen, zoals weilanden, akkers en braak liggende grond met houtwallen en heggen. De patrijs broedt graag aan de rand van een weiland,  van akkers en in ruige stroken. Nog niet zo lang geleden was de patrijs nog een algemene stand vogel in Overijssel. Nu komt de vogel alleen nog voor in Noordoost en Zuidoost Twente. In de winter houdt de patrijs zich vaak op in koppeltjes aan randen van mais akkers, vaak op de essen waar de vogel door zijn schutkleur niet opvalt. Afgelopen winter zag ik dan ook koppeltjes op de Lemseleres, Rossummeres, Reutummeres, Linderes en Albergeres.  Door intensivering van landgebruik zijn de plekken om te broeden sterk afgenomen, er zijn geen kleine ruigten en overhoekjes meer. Agrarisch natuurbeheer zou de achteruitgang van de patrijs tot staan kunnen brengen. Door het aanleggen van kruidenrijke akkerranden,  wintervoedsel-akkers en bloemenrijke randen langs houtwallen heeft de patrijs weer enkele kans. Hoe groter en robuuster deze verbindingen en leefgebieden zijn, hoe groter de kans om geschikte leefgebieden te creëren voor de patrijs.

  

Knoflookpad

De knoflookpad heeft een kenmerkende, ietwat plompe bouw die 7 cm groot kan worden. De pad heeft een opvallende brede en hoog gewelfde kop met ogen die een verticale pupil hebben. Aan de binnenste teen van de achterpoten zit een grote, platte verhorende graafknobbel, waar de pad zich mee in graaft. Dat gebeurt achterwaarts. De mannetjes zijn 0,5 á 1 cm kleiner dan de vrouwtjes. De kleur van de rug is variabel meestal een lichtbruine of grijze grondkleur met daarop donkere bruinachtige vlekken. Dikwijls is de pad zo gevlekt dat een gestreepte tekening ontstaat.

De Knoflookpad komt in grote delen van Europa voor. In Nederland is de pad te vinden in rivierdalen. Omdat het een gravende soort is, houdt deze van een bodem met een rulle en kruimelige structuur en komt in Nederland uitsluitend op zandgronden voor. Zanderige houtwallen, tuinen en aardappelvelden zijn de geliefde plekken van de knoflookpad. Voor de voortplanting is het noodzakelijk dat er poelen, vijvers of sloten aanwezig zijn.

In Noordoost-Twente komt deze soort nog voor in het Dinkeldal bij Tilligte en in het Denekamperveld bij Denekamp. De knoflookpad is een doelsoort voor agrarisch natuurbeheer in Noordoost-Twente. Door in te zetten op de knoflookpad wordt het leefgebied van deze doelsoort in bovengenoemde gebieden versterkt.

Vanaf maart tot en met oktober zijn de knoflookpadden door hun verborgen nachtelijke  leefwijze op het land moeilijk te vinden. Vanaf eind maart / begin april trekken de padden naar de voortplantingspoelen. In de voortplantingstijd zitten de padden op de bodem van de poel. De mannetjes kwaken onder water, maar dat is boven water wel goed te horen. De eieren worden in dikke lange snoeren tussen de waterplanten afgezet. De larven ontwikkelen zich het beste in voedselrijke poelen. Deze larven hebben een lengte van 6 tot 9 cm. Dit is veel groter dan de larven van andere padden en kikkers. In deze periode zijn de padden dan het beste te monitoren. Een andere methode van monitoren is het zoeken naar D.N.A. in het water.

Bij gevaar neemt de pad een dreigende houding aan, door het lichaam op te blazen, hoog op de poten te gaan staan en een knoflook lucht af scheiden. Vandaar de naam knoflookpad.

 

Hier de link naar het filmpje van de knoflookpad gemaakt door Vincent de Lenne.